Die Friezen zijn niet politesse, zij slaan met kolven en steke met messe.

Inleiding

 

Evenals de website Friezen onder Napoleon is de website Friezen in de Tiendaagse Veldtocht te danken aan het werk van de heer J.A. Paasman, die op 13 febr. 2007 in Burgum overleden is. Hij wilde hiermee de ruim 4.000 Friese schutters en daarnaast andere militairen die hebben deelgenomen aan de krijgsverrichtingen van 1830 en 1831 in herinnering brengen. Na het overlijden van de heer J.A. Paasman is er met de familie afgesproken dat de website in de lucht blijft en onderhouden zal worden door Tresoar, het Fries Historisch en Letterkundig Centrum in Leeuwarden.

 


 

In augustus 1830 brak in België een opstand uit die uiteindelijk leidde tot afscheiding van het Verenigd Koninkrijk der  Nederlanden en het ontstaan van het huidige koninkrijk België. Koning Willem I wenste zich echter niet bij deze toestand neer te leggen en wilde de Belgen gewapenderhand tot de orde roepen.

Mobiele Schutterij 1831

Mobiele Schutterij 1831

 

 Op 2 augustus 1831 trok het leger van de Noordelijke Nederlanden België binnen. Het optreden van dat leger was zo succesvol dat het Belgische leger op het punt stond te worden verslagen en Brussel kon worden binnengetrokken.  Hierop kwamen de Fransen met een leger de Belgen te hulp. Willem I wenste geen confrontatie met het Franse leger en bovendien drong Engeland erbij de Nederlandse koning op aan zijn legers terug te trekken. Hieraan werd op 12 augustus 1831 voldaan. Aldus eindigde de Tiendaagse Veldtocht. Het heeft tot 1839 geduurd voordat de koppige Willem I zich bij de deling neerlegde en een eind kwam wat ook wel spottend "Oranje's oorlog" werd genoemd. 

Zoals in vele oorlogen was ook Jan Soldaat de hoofdpersoon in de Tiendaagse Veldtocht en wat daarna nog volgde. De anonieme honger- en dorstlijder in het Nederlandse veldleger in de dertiger jaren van de kneuterige negentiende eeuw. In dat leger heerste nog hetzelfde standsverschil als in het Napoleontische leger. Van het sneuvelen van Jan Soldaat werd de familie niet of nauwelijks op de hoogte gesteld en nauwelijks een overlijdensakte opgemaakt. Ten opzichte van de Franse tijd was er wel een verbetering als je dat tenminste zo kan noemen. In de Staatscourant werden de  namelijk de gesneuvelden/gewonden vermeld. Opvallend is dat bij de Friese schutterij en infanterie bij de officieren wel en de overigen meestal geen initialen worden aangegeven. Als Jan Soldaat in een hospitaal krepeerde werd daarvan wel een overlijdensakte opgemaakt zoals ook onder het Franse regime het geval was geweest. In lang niet alle gevallen werd van die overlijdensakte een afschrift aan de gemeente van inwoning gezonden.  

Jan Soldaat moest wel heel moedig, trouw en beleidsvol zijn als hij de Militaire Willemsorde 4e klas verdiende. Deze was meestal voorbehouden aan de officier, vaak van adel en met meer dan een dubbele voor- en achternamen.

Een mooi voorbeeld van het standsverschil en de veronderstelde incompetentie van Jan Soldaat tot bevelvoerend officier bij de schutterij is de benoeming van de Michael Onuphrius. baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, grietman van Het Bildt tot kapitein in het 2e bataljon van de 1e afdeling van de Mobiele Friese Schutterij. 

De besturen van de grietenijen mochten een voordracht doen aan de koning voor de commandant en andere officieren van hun schutterijen. Deze moesten "bij hunne geschiktheid voor zoodanige betrekking, tevens deelen in de achting hunner ondergeschikten en door hunne stand in de Maatschappij het vereischte gezag over hen kunnen uitoefenen"

De grietman (=Schwartzenberg) en assessoren van Het Bildt vonden de koopman en bakker Johannes Jans Kuiken te Sint Annaparochie als zodanig geschikt. Hij had gediend bij het 1e bataljon van de 8e afdeling infanterie, weliswaar "niet ten volle aan de vereischten eener Kommandant voldoende, die ons evenwel uit de 137 van de 1e Ban der Rustende Schutterij dezer Grietenij behorende, tot deze betrekking het geschiktste voorkomt". 

De gouverneur des koning in Friesland, A.M.baron van Zuylen van Nijevelt, had bedenkingen tegen deze voordracht. Men had moeten kiezen voor een officier bij 't leger of bij de schutterij.

In ieder geval voor "iemand uit den stand der Maatschappij die daardoor over zijne ondergeschikten het vereischte gezag zal kunnen uitoefenen." Het zal duidelijk zijn dat de koopman en bakker niet voor de functie van officier in aanmerking kwam. Kapitein Michael Onuphrius baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg bleek een goede keus. Met zijn luitenant K.O.van der Veen werd hij benoemd tot ridder in de MWO 4e klasse en op 10 october 1831 meer dan 50 jaar oud, op eigen verzoek eervol bij de schutterij ontslagen. 

Er is een interessant verslag bewaard gebleven van Harmanus Boekhout Klaasesz te Ternaard, luitenant bij de 1e afdeling, 3e bataljon, 5e compagnie bewaard gebleven onder de titel "Herinneringen van een Friesche schuttersofficier 1831-1834. Hij was een zoon van de Dokkumer notaris Jan Klaasesz. en vertelt zijn belevenissen als schuttersofficier. Over het wel en wee van zijn manschappen wordt met geen woord gerept. De enige keer dat hij deze noemt is als hij met een aantal van hen kaart en opmerkt dat zij wel verguld zullen zijn geweest dat hun luitenant bij hen aanschoof.

 

Een korporaal sluit een kennelijk aangeschoten soldaat op onder de toren

Een korporaal sluit een kennelijk aangeschoten soldaat op onder de toren.

Ook de geneesheer Hendrik Gerrit Cannegieter besteedt als kapitein bij de Mobiele Friese Schutterij nauwelijks aandacht aan  de manschappen van de kompagnie waarover hij het bevel voerde. Manschappen die hij overigens constant als "volk" aanduidt.  Ook Tjalling Minno Watze baron van Asbeck, commanderende het 1e bataljon van de 2e afdeling der Mobiele Friese Schutterij geeft in zijn Journaal een overzicht van zijn belevenissen. Interessant zijn de belevenissen van de dienstplichtig soldaat Hessel Brolsma uit Stiens tijdens de Belgische Opstand samengesteld uit zijn bewaard gebleven 84 brieven weergegeven in "Een slagje hier en daar" (Brolsma, Ulke Hesel, Ljouwert/Utert 2006).

Een ander voorbeeld is het standsverschil in de bestraffing der manschappen en officieren. Een Noordhollandse schutter beklaagt zich daarover bij dronkenschap en andere uitspattingen. Kwam Jan Soldaat te laat of aangeschoten binnen dan kon hij op een paar dagen provoost rekenen. En er werd louter uit verveling wat afgezopen op de Brabantse heide. Kwam een officier laveloos binnen of had hij in het dorp de beest uitgehangen, dan werd hij netjes door de wacht in zijn tent afgeleverd en kraaide er verder geen haan naar.