Die Friezen zijn niet politesse, zij slaan met kolven en steke met messe.

Leefomstandigheden

Het was een warme dag, die 2de augustus 1831 toen de opmars naar Belgisch gebied begon. Aan de voedselvoorziening van het oprukkende leger mankeerde echter van alles. Wat dat betreft hadden de officieren die nog onder Napoleon hadden gediend, weinig geleerd. Zo was erop die hete dag nergens water te vinden. Bij een aantal onderdelen is ook de voeding beslist onvoldoende. De soep is dikwijls zo zout dat de dorst alleen maar erger wordt. Opvallend is dat in de lijsten van de Friese schutters die worden voorgedragen voor Het Metalen Kruis op 2 augustus 1831 veel aantekeningen voorkomen van opnamen in een hospitaal. 

Mogelijk ook veroorzaakt doordat velen het marcheren door het rulle zand op snikhete dagen teveel werd. Het geweer op zich met vijftig patronen was al zwaar. Dan nog een broodzak met wat levensmiddelen en een veldfles. ( die overigens meestal leeg waren) en dan nog een ransel van 10 tot 15 kg. 

Om de bepakking lichter te maken worden allerlei overbodige kledingstukken stiekem weggegooid en ligt de weg bezaaid met uitrustingsstukken. Het aantal achterblijvers groeit gestadig. Van hen moeten zeker twee de mars met de dood bekopen. Ook neemt het aantal deserteurs toe.

Flankeur der schutterij

Flankeur der schutterij 

Soms komt het tot ongeregeldheden als 's avonds wordt gebivakkeerd en weer geen voldoende voedsel en drinken aanwezig blijkt te zijn. Het gevolg zijn plunderingen waarbij het soms hardhandig toegaat. 

Het opperbevel komt dit ter ore met gevolg dat met betaalde vordering van voedsel het probleem enigszins wordt verbeterd. Het kan niet uitblijven of de Belgische pers komt dit ter ore en werkt als koren op de molen van de nieuwe Belgische regering. 

Na de wapenstilstand van 12 augustus 1831 weer in Nrd.Brabant teruggekeerd, worden de leefomstandigheden nauwelijks beter. Deze omstandigheden waren op het Brabantse platteland in vergelijking met Friesland ronduit  slecht. De boerenbevolking was arm en de grond idem. 

De mannen werden gelegerd in tentenkampen of ondergebracht bij particulieren. Op het Brabantse platteland hoofdzakelijk bij boeren. Het verblijf in een legertent was vooral in de zomer beter dan in de wel heel kleine kamertjes en lage zolderingen van de Brabantse woningen. 

Legerkamp te Oirschot

Legerkamp te Oirschot 

Na de Tiendaagse Veldtocht marcheerden de verschillende legerafdelingen op het Brabantse Legerkamp te Oirschot platteland nogal wat heen en weer. 

Soms was het kamp nauwelijks ingericht of er kwam bevel om de zaak weer op te breken.

De legerkampen op de Brabantse heide waren vaak op onbeholpen wijze geïmproviseerd. Zelfs naar Nederlandse begrippen waren de sanitaire voorzieningen ten hemel schreiend.  Goed drinkwater was nauwelijks aanwezig en van wassen was helemaal geen sprake. Het was geen wonder dat op 29 augustus 1832 in het kamp te Oirschot de cholera uitbrak. In snikhete tenten lager de zieke soldaten bij tientallen op het stro dat door hun diarree was bevuild en begonnen te stinken. Er waren nauwelijks hospitaalsoldaten. Vaak waren dat sappeurs (geniesoldaten).Ook de dienstdoende militaire geneesheren konden nauwelijks iets uitrichten.

Vermoedelijk verblijft de compagnie van de eerder aangehaalde Cannegieter in augustus 1832 in het legerkamp te Oirschot. Zijn handschrift vermeldt: "tot overmaat van ramp kwam de cholera ons hier ( = Oirschot) een bezoek brengen", doch over de slachtoffers geen woord.

Opvallend is het aantal vermeldingen van een opname in een hospitaal. Helaas wordt daarbij nooit de oorzaak vermeld. Wie de literatuur op dit punt leest krijgt de indruk dat de gevolgen van de cholera werden gebagatelliseerd of met opzet verzwegen. Hoewel van zijn onderdeel een aantal manschappen in het hospitaal te Bergen op Zoom overlijden, rept  luitenant Klaasesz uit Ternaard in zijn verslag met geen woord over de ziekte. De schutters Paulus Kornelis Buwalda uit Lioessens schrijft in zijn brief naar huis van 12 juli 1832 uit Geldrop bijna angstig dat "de ziekte" steeds dichter bij schijnt te komen.

 

 

De meeste Friese schutters zijn minstens 4 jaar van huis geweest. Wel werd een periodiek verlof van vaak veertien dagen verleend. Reisgeld werd niet verstrekt en hoe groot de soldij was heb ik niet kunnen ontdekken. Een Amsterdamse schutters vermeldt in zijn dagboek dat hij 75 cent traktement ontving. Dat lijkt mij teveel voor 1 dag.

Op 6 september 1834  wordt het bataljon Friese stedelijke schutterij onder commando van  J.G.van Wageningen en dat der landelijke schutterij onder bevel van commandant Ampt  feestelijk in Friese de hoofdstad ingehaald. In de loop van 1834 zijn de meeste Friese schutters die aan de krijgsverrichtingen in 1830 en 1831 hebben deelgenomen weer naar hun woonsteden teruggekeerd. Nieuwe lichtingen hebben dan hun plaats ingenomen